Portavita is samen met enkele klanten in gesprek gegaan met het ZorgInstituutNederland (ZiNL) en met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de overgang naar de Wlz voor een deel van de antistollingspatiënten. Het besluit van het ZiNL en de veel te lage vergoeding die de NZa heeft berekend voor patiënten die wonen en een behandeling krijgen in zorginstellingen, heeft zeer waarschijnlijk nadelige gevolgen voor de kwaliteit van hun antistollingsbehandeling.

Zorginstellingen moeten deze behandeling nu zelf organiseren. Het blijven betrekken van de trombosedienst is daarbij een financiële uitdaging. Beide organisaties moeten met elkaar in gesprek om voor 2018 afspraken te maken. In 2019 is de vergoeding hopelijk – zoals de bedoeling was - budgetneutraal. De overgang naar de Wlz betekent hoe dan ook een breuk in de ‘best practice’ van de huidige samenwerking tussen trombosedienst en zorginstelling.

Een overzicht van alle gebeurtenissen
Zorgen om overheveling deel antistollingsbehandeling naar Wlz – een overzicht van de gebeurtenissen.

Vanaf 1 januari 2018 wordt de antistollingsbehandeling van patiënten in zorginstellingen met de indicatie ‘behandeling’ gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Dit besluit werd vorig jaar genomen door het ZorgInstituut Nederland (ZiNL). Men is van mening dat het hier niet om een specialistische behandeling gaat, maar om ‘huisartsenzorg’ en die valt onder de Wlz. Dit besluit kan grote gevolgen hebben voor de bestaande samenwerking tussen trombosediensten en zorginstellingen: niet de trombosedienst, maar de zorginstelling wordt verantwoordelijk voor de antistollingsbehandeling. Portavita is, in samenwerking met enkele klanten, nauw betrokken bij deze ontwikkeling. De belangrijkste reden is dat alle partijen heel tevreden zijn over de bestaande (NPT-)samenwerking, zoals die door Portavita digitaal wordt ondersteund.

Sinds het bekend worden van het ZiNL-besluit hebben diverse overleggen plaatsgevonden waarbij klanten de mogelijkheden onderzochten om hierop te reageren. De eerste vergadering vond plaats in Tiel, in oktober 2016. Alle aanwezigen (vanuit diverse trombosediensten en een zorginstelling uit de regio) verklaarden zich een tegenstander van het besluit, niet alleen om financiële redenen, maar vooral vanwege het gevaar dat de toch al noodlijdende zorginstellingen het zich financieel niet kunnen veroorloven om de trombosedienst in te huren voor deze behandeling en daarom zelf de behandeling gaan uitvoeren. Dit wordt mede in de hand gewerkt omdat de Wlz-vergoeding niet geoormerkt is. Hiermee zou de situatie waarop het Inspectierapport uit 2010 is gebaseerd weer in beeld kunnen komen: ‘Keten trombosezorg niet sluitend’. Met alle risico’s voor de patiënt van dien.

De onrust in tromboseland resulteerde vorig jaar december in een bijeenkomst op het Ministerie van VWS waarbij aanwezig waren: het ZiNL, Federatie van Nederlandse Trombosediensten (FNT), twee medische leiders (Maarten Bongaerts (Trombosedienst Ziekenhuis Rivierenland, Tiel) en Ron van ’t Land (Stichting Rode Kruis Trombosedienst Neder – Veluwe, Ede)), Verenso (organisatie voor Specialisten Ouderengeneeskunde) en Actiz (organisatie van zorginstellingen). Ondanks de bezwaren van alle andere aanwezigen, bleef het ZiNL bij zijn besluit. Ook een vervolgoverleg in kleinere kring, dat begin dit jaar plaatsvond, bracht geen verandering in het besluit.

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) voerde het besluit uit. Met als uitgangspunt een budgetneutrale vergoeding berekende de organisatie de vergoeding aan de zorginstellingen. Toen deze bekend werd, ontstond nieuwe onrust: de vergoeding leek veel te laag om budgetneutraal te kunnen zijn. Omdat het lastig was om inzicht te krijgen in het aantal patiënten in de zorginstelling, die onder deze nieuwe financiering zouden vallen, bleef lange tijd onduidelijk hoe de berekening tot stand was gekomen. Na een nieuw overleg, waarbij Portavita mandaat kreeg van twee  trombosediensten om hier actie op te ondernemen, werd de berekening van de NZa ontvangen. Uit nadere bestudering bleek dat de NZa de berekening had gebaseerd op verkeerde aannames ten aanzien van het totaal aantal antistollingsbehandelingen: zij zijn enkel uitgegaan van trombosebenen en longembolieën en hebben de overige 80% indicaties niet meegerekend voor de WLZ-toeslag.

Een notitie werd geschreven waarin met name twee onderwerpen centraal stonden: 1. Het besluit van het ZiNL; 2. De berekening door de NZa. Deze notitie resulteerde in een overleg met de NZa, waarin het volgende duidelijk werd:

1. Het besluit van het ZiNL is genomen naar aanleiding van een adviesaanvraag van het ministerie van VWS. Aangezien het ZiNL niet ontvankelijk is voor de bezwaren, staat alleen de weg naar de politiek nog open om bezwaar aan te tekenen. Dit is des te belangrijker, omdat het ministerie het ZiNL heeft gevraagd om een vervolgadvies op te stellen over de vraag: moeten ook niet (alle?) andere antistollingspatiënten in zorginstellingen onder de Wlz vallen? Als het ZiNL hier ‘ja’ op zegt, verslechtert de situatie nog veel meer.

2. Al snel werd duidelijk dat de NZa open staat voor een nieuwe berekening van de vergoeding. Hier wordt op korte termijn een start mee gemaakt, maar de politieke werkelijkheid maakt het onmogelijk om een eventuele aangepaste vergoeding nog te doen ingaan per 1-1-2018.

In deze situatie moeten de trombosediensten en zorginstellingen in onderling overleg afspraken maken over de behandeling van de antistollingspatiënten. Deze ontwikkeling is volledig in tegenspraak met de LSKA, de landelijke zorgstandaard voor de antistollingstherapie, waarin beschreven wordt dat de risico’s verminderen door een betere samenwerking in de keten. Niet alleen de kwaliteit van de behandeling, maar zeker ook de gebrekkige financiële situatie van zorginstellingen kan bepalend zijn voor de uitkomst. Zeker is dat de bestaande, in de meeste gevallen goede samenwerking tussen trombosedienst en zorginstellingen onder druk staat.

Onderzocht wordt om de enige nog openstaande weg in te slaan: die naar de politiek. We houden u op de hoogte van het vervolg.